Gerben Godd´loas
Aan het begin van de winter van 1772, op 14 november werd in de
plaggenhut van veenbaas Klaas Syes en Sjoukje Rienks een zoon geboren, die bij
de doop op 13 mei 1779 te Veenwouden uiteindelijk officieel de naam Gerben
kreeg.
Deze Gerben zou uitgroeien tot een bekende inwoner van de
streek, waarmee de kranten zich nog in deze tijd bezighouden.
Gerben groeide op met veenwerk.
Hij had een stevige leerschool
bij zijn vader, die het tot veenbaas had gebracht. Ook hij bracht het tot
veenbaas en werd door zijn streekgenoten gekozen tot gecommitteerde, zodat hij,
naast de Grietman, aan de Landdag kon deelnemen.
Niet oneervol! Op 1 januari 1795 trouwde hij met de 7 jaar oudere dochter van een collega veenbaas,
Trijntje Klases. Hoewel het een onrustige tijd was gingen de jaren met hard
werken, vrij rustig voorbij.
Bij het vervenen werd eerst de begroeide bovenlaag - in het
Fries 'bosk' - afgegraven, om die later als natuurlijke bemesting te gebruiken.
Als rechtgeaarde veenbaas voelde hij zich één met zijn werk en
koos, toen hij in 1811 een familienaam moest kiezen, voor de naam Boskma, zoon
van 'it bosk'.
Toch wilde hij wel eens wat anders en toen de mogelijkheid daar
was, pachtte hij het tol met tolhuis, onder Rinsumageest, bij de brug in de
Schwarzenberglaan over de Valomstervaart. Nu had de Schwarzenberglaan niet een
al te beste naam. De weg was door de heren van Dantumadeel aangelegd om veilig
vanuit hun residentie te Rinsumageest naar hun jachtslot te Kuikhorne te kunnen
komen.
Deze weg, door de bossen en over het veen, was een uitgelezen
schuilplaats voor lieden die het, vaak door moeilijke omstandigheden gedwongen,
met mijn en dijn niet zo nauw namen. De weg werd dan ook, in de volksmond,
omgedoopt tot 'Godd'loase Singel' en, natuurlijk, kreeg ook het Tolhuis die
bijnaam.
Als men het over de Tolbaas had, was het veel makkelijke om te
spreken over 'Gerben Godd'loas' dan over 'Gerben Klases van het Tolhuis'. Toch
heeft deze bijnaam hem achteraf heel wat praatjes gebracht. Nog in 1978 schreef
het Nieuwsblad van Noord-Oost Friesland dat Gerben Klases een ruwe
onverschillige kerel was en dat hij door zijn doen en laten de bijnaam
'Godd'loas' had gekregen
De schrijver Walling Dijkstra, die een eeuw later het Tolhuis
eens bezocht en met de beheerster praatte, hoorde van haar "Gerben wie al in
mallen-ien, mar hi droech de namme nei 't Tolhûs, it Tolhûs net nei
him.
Buurtbewoners melden bij de gemeente dat zij op 10 januari 1825
het lijk van Albert Wybes van de Berg uit het water van de Zanding onder
Veenwouden hadden gehaald en dat van zijn 4 jarig zoontje Wybe. Twee dagen
later vonden zij het lijk van Sjoukje Gerbens Boskma, echtgenote van Albert van
den Berg en een maand later, op 11 februari, werd ook het lijkje van zoon
Gerben, 2 jaar oud opgevist. Het jongste kind, Hendrikje een meisje, was bij de
grootouders op het Tolhuis gebleven.
Is het een wonder dat Gerben een beetje vreemd was nadien. Zijn
vrouw kon het helemaal niet verwerken en stierf in 1826.
Later, Gerben was al overleden, verdronken ook nog eens 2
kleinzonen van hem in de Valomstervaart. Zes mensen uit één
familie, die een niet natuurlijke dood sterven, is natuurlijk buitengewoon en
geven gerede aanleiding tot 'verhalen'.
Natuurlijk was Gerben geen 'watje', als Tolwachter moet je van
wanten weten, want wie betaalt er nu graag wegenbelasting. In zijn tijd en ook
later werd er in een van de kamers ook wel een borreltje geschonken. Het
verhaal gaat dat de Kozakken hier onthaald werden op 'brandewyn mei piper'.
De moraal van dit verhaal? Geloof niet alles wat de kranten
schrijven, maar speur naar de achtergrond.
Als Gerbens 2e vrouw ook is overleden geeft hij er de brui aan
en verkoopt zijn hele boeltje op een 'Boedelverkoop', koeien, pramen, hooi, een
klok, stoelen en 'boerenreed'. Hij gaat vissen!
Zijn schoonzoon (de vader van de 2 voorgenoemde kleinzonen)
Romke Harkes van der Meulen, getrouwd met dochter Janke, wordt Tolbaas in zijn
plaats en wordt dus 'Romke Godd'loas' genoemd.
(Bron: Seniorweb)
